Negen maanden

Negen maanden.

Negen maanden duurde het donker in mijn hoofd na de dood van mijn moeder. Elke ochtend bij het wakker worden was er dat ene beslismoment: sta ik op of blijf ik liggen?

En er was altijd die ene seconde vlak daarvoor, waarin het leven even volledig blanco is totdat je hoofd beseft: er was iets. O ja, mama. Dood. Verdriet. Rouw. 

Toch stond ik elke dag op. 

En na negen maanden werd het langzaam licht. Er waren weer dingen om over te lachen. En huilen ging lang niet alleen maar meer over haar die ik verloren had.

Maar in de tiende maand ging mijn vader dood. Bekend met rouw dobberde ik verder. Ik ging er opnieuw doorheen. Las alle boeken over rouw om te begrijpen dat ik niet gek was geworden. 

Opnieuw negen maanden waarin ik me stilletjes door het donker waadde en soms de tijd kwijt was. Al deed ik gewoon mijn werk, ging ik uit eten en had ik afspraken met vrienden. Het leven ging verder. Ik herstelde. Vernieuwde. Het leven herpakte zich na ongeveer negen maanden. 

Vorig jaar brak ik opnieuw mijn hart. 

Terugkijkend zie ik het patroon. Die ene seconde na het wakker worden. De slapeloze nachten in het begin. De compleet verdwenen eetlust. De stress in het lijf. En ook nu ebde dat langzaam weer weg.

Vallen. Opstaan. Doorgaan. 

Alsof ik verveld ben en er een nieuw velletje in de plaats is gekomen. Verstevigd. Veerkrachtig. Vernieuwd. 

Terugkijkend was het ook nu niet de hele tijd donker. Er waren volop lichtpuntjes. Mensen. Momenten. Mogelijkheden. 

Haakjes waaraan ik me vast kon houden om te zien: het komt goed. Het is goed. Ik ben een tevreden mens.

Negen maanden. De tiende maand is inmiddels voorbij. 

Ik voel me als herboren.